Gedwongen adopties kwamen ook in Overijssel voor

Ook in Overijssel hebben in de periode tussen 1956 en 1984 gedwongen adopties plaatsgevonden. Dat blijkt uit het boek 'Zwartboek adoptie' van schrijfster Eugénie Smits van Waesberghe. Mede door het wroeten van de schrijfster in de schimmige adoptiegeschiedenis van ons land, werd een diepgaand landelijk onderzoek gestart. Het meldpunt Gedwongen Adopties werd ingesteld om meer informatie te krijgen van betrokkenen. Hier hebben zich inmiddels meer dan 500 mensen gemeld om hun verhaal te doen. 

Uit het boek van Eugénie blijkt dus dat de gedwongen adopties ook in Overijssel hebben plaatsgevonden. Dat komt duidelijk naar voren in het verhaal van Maria en haar jongere broer Ruud. In het boek staat dat hun moeder, Henny, uit Saasveld komt. In werkelijkheid woonde Henny in een ander Twents dorp. Om niet te veel oud zeer op te rakelen, besloot de schrijfster de vrijheid te nemen om de plaatsnaam en de namen van de personen te wijzigen.

Henny, raakte in het voorjaar van 1952 zwanger van Maria. Maria zou zijn verwekt door een jongeman uit een naburige gemeente, maar hij beweerde er niets mee te maken te hebben.

Grote schande  

In die tijd was een buitenechtelijke zwangerschap een grote schande. Niet alleen voor de ongehuwde moeder, maar voor het hele gezin. Zo'n meisje moet weg uit huis. "De schande was groot. Mensen konden zelfs hun baan kwijtraken als ze een ongehuwde zwangere dochter hadden. De dochter kon niet deugen en dit was vaak een smet op het hele gezin", vertelt Eugénie. "Er was een heel circuit van opvangplekken waar meisjes naartoe konden gaan. Het viel de mensen uit de buurt natuurlijk wel op dat een meisje uit de straat ineens een tijdje weg was."

De schande was groot
Eugénie Smits van Waesberghe

Voor ze zwanger raakte, werkte Henny bij een textielfabriek. Daar bleef ze werken tot de zwangerschap begon te tonen. Ze beviel uiteindelijk in een doorgangshuis in Utrecht. Na de geboorte van haar dochter Maria keerde ze terug naar Saasveld. Haar dochter werd ondergebracht bij haar tweelingzus, Gerda, die wél getrouwd was. Maria groeide op in de veronderstelling dat Henny haar tante was en Gerda haar moeder.

Opnieuw zwanger 

Vier jaar na de geboorte van Maria raakte Henny opnieuw ongehuwd zwanger. Om het gezin de schande te besparen regelde Henny's moeder een baantje voor haar dochter als huishoudster bij het gezin van de directeur van de Raad van de Kinderbescherming in Breda. Deze directeur zorgde ervoor dat Henny in het doorgangshuis Moederheil kon bevallen van zoon Ruud, de halfbroer van Maria.

 

Nadat Henny afstand had moeten doen van Ruud, werd hij een aantal maanden na zijn geboorte opgenomen in een pleeggezin ter adoptie. Na de geboorte van Ruud, kreeg de Saasveldse Henny nog een kind. In 1959 beviel ze, opnieuw in Moederheil, van een dochter. Ook dit kind moest zij afstaan. Deze halfzus van Maria en Ruud werd vier weken na haar geboorte geplaatst in een pleeggezin dat haar later adopteerde. In 1962 trouwde Henny en kort daarna raakte ze opnieuw zwanger. Ze beviel van een dochter, Johanna. Dit kind mocht ze zelf opvoeden.

"Kennelijke belang van het kind" 

Het verhaal van Maria en haar halfbroer Ruud is exemplarisch voor die periode. "Met mijn boek Zwartboek adoptie heb ik één doel voor ogen", zegt Eugénie, die werd geboren als Gepke Maria Kortekaas. "Dat iedereen kennis neemt van de in dit boek beschreven geschiedenis en nooit meer vergeet hoe in de vorige eeuw in ons eigen land tienduizenden moeders, vaders en baby's van elkaar zijn gescheiden 'in het kennelijke belang van het kind'."

 

Giethoorn

In het boek ook het verhaal van Henriëtte. Dit meisje werd in 1933 geboren in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam. Moeder Stien raakte ongewild zwanger van haar stiefvader. Na de geboorte wilde ze haar dochter niet zien uit angst voor gelijkenis met haar verkrachter. In de zoektocht naar een adoptiegezin werd een advertentie gezet in de Amsterdamse Courant.

Negen dagen na de bevalling belandde de kleine Henriëtte in de armen van haar kersverse pleegvader, dokter Prins uit Giethoorn. Hij ging met de trein terug naar Utrecht, stapte over op het Kamperlijntje en legde de laatste kilometers al punterend af. De bevolking van Giethoorn liep uit en stond aan wal toe te kijken hoe de baby door het veen werd geboomd.

De schrijfster kwam er tijdens haar eigen onderzoek achter dat haar biologische moeder heeft geprobeerd om haar dochter terug te krijgen, nadat er voornemens waren om het kind binnen een huwelijk met de biologische vader dan wel binnen de biologische familie, terug te halen. Daar had de instelling waar Eugénie verbleef weinig boodschap aan. Er werd een pleeggezinplaatsing geregeld. Uiteindelijk kwam Eugénie na een jaar verblijf in het doorgangshuis in een pleeggezin terecht. Ze werd op vijfjarige leeftijd wettelijk geadopteerd door deze ouders. Naar haar moeder keek niemand meer om, terwijl de psycholoog in het doorgangshuis nota bene zijn zorg over de psychologische gevolgen van de gedwongen afstand had uitgesproken. In totaal gaat het waarschijnlijk om 25.000 kinderen in de periode 1956 tot 1984. "Mijn moeder heeft een levenslang trauma opgelopen."

Schimmige adoptiegeschiedenis

De schimmige adoptiegeschiedenis van ons land is mede door het wroeten van Eugénie Smits van Waesberghe aan het licht gekomen. Mede door haar stemde het parlement in met de uitvoering van een diepgaand landelijk onderzoek. Om meer informatie te krijgen van betrokkenen is er een meldpunt ingericht. Hier hebben zich inmiddels meer dan 500 mensen gemeld om hun verhaal te doen.


Het Verweij Jonker Instituut onderzoekt de toedracht van situaties waarin Nederlandse moeders afstand van een kind moesten doen en ook wat dit betekend heeft voor een aantal vaders en voor de duizenden zogeheten – inmiddels volwassen - afstandskinderen. Naast afstandsouders, afstandskinderen, adoptieouders en betrokken familieleden, worden professionals opgeroepen om zich te melden. Te denken valt aan oud-medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming, verpleegkundigen en verzorgsters die bij afstand en adoptie en de verzorging van moeder en kind betrokken zijn geweest en hulpverleners uit die tijd.

Periode 1956 - 1984

Het onderzoek richt zich op de periode tussen 1956 en 1984, waarin naar schatting 15.000 Nederlandse kinderen mogelijk onder druk zijn afgestaan voor adoptie. Minister Dekker voor Rechtsbescherming kondigde dit onderzoek vorig jaar aan. Zo wil hij meer duidelijkheid krijgen over de rol van de overheid en over de situatie van de moeders en hun kinderen.


Van de meldingen komt ongeveer de helft van kinderen die zeggen dat ze door hun moeder zijn afgestaan. Een kwart van de bellers zijn moeders die vaak onder druk afstand hebben gedaan. De andere meldingen komen onder anderen van afstandsvaders en hulpverleners.

Dekker vindt het aantal van 500 meldingen veel. "Dat zegt iets over de omvang van de problematiek destijds. Ik hoop dat meer mensen zich melden, omdat dat helpt om het beeld completer te maken."

 

Heb je een nieuwstip of nieuwe informatie? Tip de redactie via een WhatsApp-bericht: 06 - 57 03 33 33.

Meer over dit onderwerp:
adoptie Twente Giethoorn Nieuws
Deel dit artikel: